Wat Is Rechtsteorie oleh Jan Gijjsels dan Marck Van Hoecke

Jan Gijssels – Mark Van Hoecke dalam bukunya tersebut menulis sebuah Bab yang diberi judul afbakening van de rechtsteorie yang dapat diartikan sebagai gambaran atau batasan-batasan teori hukum, dimana ia memaparkan bahwasanya terdapat hubungan sekaligus pembatasan antara rechtstheorie dengan rechtsdogmatiek dan antara rechtstheorie dengan rechtsfilosofie.

Rechtstheorie dalam bahasa Indonesia diartikan sebagai Teori Hukum, rechtsdogmatiek dapat diartikan sebagai Dogmatik Hukum, sedangkan rechtsfilosofie diartikan sebagai Filsafat Hukum. Gijssels dan Van Hoecke menjelaskan bahwa teori hukum merupakan disiplin mandiri yang perkembangannya dipengaruhi dan sangat terkait erat dengan ajaran hukum umum. Hal tersebut dapat dilihat bahwa teori hukum memiliki objek disiplin ilmu tersendiri, letaknya ada diantara dogmatik hukum dan filsafat hukum. Dimana dogmatik hukum dan filsafat hukum memiliki domain sendiri-sendiri dalam kajian hukum, serta teori hukum dipandang sebagai ilmu yang bebas nilai.

Letak teori hukum yang berada diantara dogmatik hukum dan filsafat hukum itulah yang menjadi titik telaah dalam tulisan ini. Adakah dan bagaimanakah hubungan antara teori hukum dengan dogmatik hukum dan filsafat hukum?

Berikut adalah petikan teks asli dari buku tersebut.

In dit hoofdstuk zal gepoogd worden het domein van de rechstheorie zo precies mogelijk aft e bakenen. Deze afbakening kan gebeuren op twee wizjen : extern en intern. Extern door de rechstheorie te situeren in het geheel van de disciplines die het recht als objeckt hebben, en intern door de objektieven, de metodes en het onderzoeksveld van de rechstheorie uit te tekenen. De interne afbakening komt aan bod inhet volgende hoofdstuk, in dit hoofdstuk wordt enkel een externe afbakening beoogd. Daar de rechstheorie als zelfstandige discipline gegroeid is uit de rechtsdogmatiek en de rechtsfilosofie lijkt het aangewezen om eerst de rechstheorie in een ruimere kontekst te situeren door duidelijk de grens te trekken tussen de rechstheorie enerzijds en de rechtsdogmatiek, respektievelijk de rechtsfilosofie anderzijds, verder lijkt het nuttig de rechstheorie eveneens extern  af te bakenen ten aanzien van rechtssociologie, rechtsgeschiedenis, rechtslogika en andere niet-juridische disciplines die het recht als onderzoeksobjekt hebben. Een systematisch overzicht van de kenmerken, de metodes, de onderzoekstema’s c.d van de rechstheorie wordt dan in de volgende hoofdstukken gegeven.

Rechtsdogmatiek – rechstheorie – rechtsfilosofie

Er zijn tal van disciplines die het recht als onderzoeksobjekt nemen : rechtsdogmatiek, rechtsfilosofie, rechtssociologie, rechtsgeschiedenis, rechtsinformatika, rechtspsychologie, rechtsetnologie, rechtslogika, enz… Al deze disciplines verschillen enkel van elkaar door de invalshoek van waaruit het recht benadered en bestudeerd wordt. In de meeste gevallen staan we voor een afsplitsing van een niet-juridische discipline, waarbij het recht wegens zijn specifieke aard tot een eigen, min of meer zelfstandige tak van deze niet-juridische discipline heeft geleid. Aldus zijn rechtssociologie, rechtsfilosofie, rechtsetnologie, rechtslogika, rechtsgeschiedenis en rechtsinformatika nicts anders dan sociologie, psychologie, filosofie, etnologie, logikam geschiedenis en informatika toegespitst op het recht.

Slechts twee disciplines behoren tot de ‘zuivere’ rechtswetenschap : de rechstheorie en de rechtsdogmatiek. Deze twee juridische disciplines kunnen niet teruggevoerd worden tot een meer algemene wetenschapsdiscipline. Ze hebben dan ook geen zusterdisciplines zoals bijvoorbeeld tegenover de rechtsgeschiedenis kultuurgeschiedenis of sociale geschiedenis staat, tegenover de rechtsfilosofie taalfilosofie of moraalfilosofie, en tegenover de rechtssociologie arbeidssociologie. Daar men voor de afbakening van rechstheorie en rechtsdogmatiek onderling en ten aanzien van de andere disciplines niet kan verwijzen naar het onderscheid tussen meer algemene wetenschappen is de omschrijving van het respektieve domein van de rechtsdogmatiek en van de rechts-bijvoorbeld rechtssociologie ten aanzien van rechtsgeschiedenis. Men kan stellen dat het verschil tussen deze twee laatste disciplines zonder meer samenvalt met het verschil tussen sociologie en geschiedenis. En voor de afbakening van deze disciplines kan men op een dergelijke traditie bogen dat iederen het over de grote lijnen fundamenteel eens is, zodat eventuele diskussies en problemen zich tot de randgebieden van deze disciplines beperken.

Voor de rechtsteorie worden de problemen van terreinaf bakening bovendien nog bemoeilijkt door het feit dat we voor een vrij recente tak van de wetenschap staan, die zich tot op zekere hoogte nog moet waar maken en haar plaats als volwaardige, zelfstandige wetenschapsdiscipline nog ten dele moet veroveren. Het is bijgevold aangewezen eers te pogen een zo eenvoudig mogelijke omschrijving te geven van de rechtsdogmatiek om nadien deze discipline te vergelijken met de rechtsteorie.

De Rechtsdogmatiek

De rechtsleer of rechtsdogmatiek, vaak ook de rechtswetenschap in enge zin genoemd, beoogt het vigerende positief recht te beschrijven en te systematizeren en in zekere zin ook te verklaren. Toch is de rechtsdogmatiek geen neutrale, waardenvrije wetenschap. Niet omdat het recht een aaneenschakeling is van waarden en normen – het is immers in principe zeer goed mogelijk waarden en normen als feitelijke gegevenheden volstrekt neutraal en objektief te beschrijven – maar wel omdat enerzijds in de beschrijving en in de systematisering onvermijdelijk een subjektieve inbreng van de rechtsdogmaticus besloten ligt, terwijl men zich in de rechtsleer andeerzijds evenmin beperkt tot een beschrijving en systematisering, maar welbewust stelling inneemt met betreking tot betwiste punten. Men zegt niet enkel hoe het recht geinterpreteerd kan worden, maar tevens hoe het geinterpreteerd moet worden. De rechtsleer is dus in belangrijke mate niet enkel deskriptief maar ook preskriptief. Deze twee punten waaruit het preskriptief karakter van de rechtsleer blijkt vergen enige nadere toelichting.

De onvermijdelijkheid van een subjektieve inbreng van de rechtsgeleerde bij de beschrijving en de systematisering van het recht volgt uit de aard van het recht en van de rechtsvorming in de samenleving.

Vooraf moet hierbij worden opgemerkt dat ook buiten de rechtsdogmatiek geen enkele beschrijving en systematisatie een volledig neutrale aktiviteit is. Elke beschrijving vooronderstelt immers een bepaalde teorie. Het kwalifieeren van een dier als zoogdier bijvoorbeeld impliceert het bestaan van een teorie waarin men bepaalde eigenschappen van diverse diersoorten in die mate belangrijk heeft geacht dat men alle diersoorten die deze eigenschappen bezitten groepeert onder de naam ‘zoogdieren’. Wanner meen dab bijvoorbeeld een aap beschrijft als een zoogdier, dat rechtop kan lopen dan doet men meer dan het louter ‘aflezen’ van eigenschappen die men in de werkerlijkheid aantreft : men past ten dele reeds een bepaalde teorie toe. En zo is het denkbaar dat men op een bepaald ogenblik in de ontwikkeling van de biologie het onderscheid zoogdieren – niet-zoogdieren irrelevant zou gaan achten als wetenschappelijk kriterium om diersoorten van elkaar te onderscheiden. Dezelfde dieren zouden op dat ogenblik dan ook met heel andere kenmerken beschreven worden. Met andere woorden de beschrijving verandert alhoewel de werkelijkheid onveranderd blijft. Dit zou ondenkbaar zijn indien de beschrijving los zou staan van elke voorafgaande teorie, het is evenwel ook evident dat deze teorievorming gebeurt in wisselwerking met de feiten. Het voortdurend verifieren en falsifieren van teorieen door ze te toetsen aan de feiten leidt juist tot nieuwe teorieen en tot de vooruitgang van de wetenschap.

Dit alles geldt ook voor de rechtsdogmatiek. Dit is echter niet het subjektieve element in de rechtdogmatiek waarover we het hoger hadden. In feite is wat hier geschetst werd uberhaupt niet subjektief. Het betreft een wetenschappelijke keuze die teoretisch verantwoord kan worden, bijvoorbeeld omdat het koncept ‘zoogdier’in de biologie een grotere verklaringskracht heeft dan het  koncept ‘vierpotig dier’. De vaststelling van deze grotere of kleinere verklaringskracht van de ene teorie ten opzichte van de andere gebeurt uitendelijk echter wel op basis van een intersubjektieve konsensus. Wanner we het hier hebben over de subjektieve inbreng van de rechtsgeleerde bij de beschrijving van de systematisering van het recht doelen we evenwel op iets anders.

Bij de beschrijving van het positief recht geeft de rechtsgeleerde een overzicht van de in een bepaald samenleving op een bepaald ogenblik vigerende rechtsregels. Het eerste probleem dat zich hierbij stelt is dat rechtsregels geen fysisch waarneembare verschijnselen zijn, waarvan men met zekerheid het bestaan zonder meer kan vaststellen. Men zou kunnen opmerken dat de rechtsgeleerde het al dan niet bestaan van rechtsregels met een vergelijkbare zekerheid kan vaststellen daar de invoering, de wijziging en de afschaffing van wetgeving uitdrukkelijk worden goedgekeurd, afgekondigd en bekendgemaakt in officiele publikaties zoals bijvoorbeeld het Belgisch Staatblaad. Voor een groot deel van de vigerende rechtsregels is dit inderdaad juist, doch zeker niet voor alle : bij het international recht, bij het gewoondterecht of bij mondelinge overeenkomst tussen handelaren is het niet steeds zo eenvoudig om uit te maken welke rechtsregels nu precies geldend zijn.

Maar ook bij de totstandkoming van de klassieke wetgeving verloopt niet alles feilloos. Vele wetten vertonen leemten, onduidelijkheden, tegenstrijdigheden met andere wetteksten of worden soms impliciet en stilzwijgend afgeschaft. Bovendien rijzen bij de toepassing van de wetgeving op konkrete feiten en toestanden talloze interpretatieproblemen die de rechtsgeleerde moet oplossen en waarin hij standpunt moet kiezen. Dat dit interpretatie-proces essentiel subjektief gekleurd is, ook bij schijnbaar duidelijke wetteksten, werd reeds uitvoerig aangetoond. Bij het opvullen van leemten in de wetgeving, het oplossen van ondeuidelijkheden en tegensttrijdigheden , het vaststellen of een wettelijke bepaling al dan niet stilzwijgend werd afgeschaft, het interpreteren van een wettekst moet de rechtsgeleerde noodgedwongen een keuze maken, waarbij zijn persoonlijke rechtsteoretische of rechtsfilosofische uitgangspunten onder meer met betrekking tot de hierarchie van de rechtsbronnen en de metodologie van de wets-interpretatie, een doorslaggevende rol spelen.

De beschrijving van het positief recht in de rechstleer blijkt dus geenszins een passieve houding van de rechtsgeleerde te impliceren. Voor een deel gebeurt deze aktieve inbreng van de rechtsgeleerde ook op een zeer open wijze. Bijna elke auteur pleit op een of meerdere punten voor een bepaalde visie, een bepaalde interpretatie, waarbij hij niet impliciet maar uitdrukkelijk stelling neemt, deze stelling argumenteert en tegengestelde visies poogt te weerleggen. Vrijwel elk geschrift op het gebied van de rechtsgogmatiek heeft dan ook in deze zin een normatieve inslag.

Nog veel goeter echter is de kreatieve inbreng van de rechstgeleerde bij de systematisatie van het recht. Het uittekenen van de grote strukturen van het recht, van de basisstruktuur van rechtsintellingen (zoals vertegenwoordiging, rechtspersoon, adoptie, e.d) en van de basissbegrippen van het recht is het werk van kreatieve geesten met verbeeldingskracht. Uiteraard dient dit werk niet steeds  weer opnieuw te gebeuren maar kan men voortdurend verder bouwen op wat generaties juristen in de loop der jaren totstand gebracht hebben. Toch worden de rechtsgeleerden permanent gekonfronteerd met nieuwe rechtsgebieden en nieuwe problemen die ze in de bestaande juridische struktuur moeten inpassen. Nieuwe begrippen, nieuwe indelingen, nieuwe onderscheidingen doen dan hun intrede in de rechtsdogmatiek.

De systematisatie is evenwel geen zuiver formele aangelenheid. Elk rechtsbegrip en elke rechtsinstelling verwijst naar een aantal basisregelen die in het bestaande rechtsstelsel onlosmakelijk met dit begrip of deze rechtsinstelling verweven zijn. Klasseert men bijvoorbeeld een bepaalde zaak onder de roerende, dan wel onder de onroerende goederen dan doet men veel meer dan wanneer men een bibliografische steekkaart onder een bepaalde letter van het alfabet klasseert. Immers, zodra men een bepaalde zaak als onroerend heeft beschouwd zijn alle regels in verband met hypoteken, verplichte notariele tussenkomst bij de verkoop van hetgoed, en dergelijke meer, van toepassing. Het kiezen voor een bepaalde systematisatie, voor het onderbrengen van een bepaald feit of toestand op een specifieke plaats in de struktuur van het positief recht impliceert meteen de toepasselijkheid van een hele recks rechtsregels en de uitsluiting van andere normen. Via zijn rechsdogmatische systematisatie orienteert de rechtsgeleerde aldus de oplossing van rechtsproblemen en de draagwijdte van bestaande rechtsregels in een welbepaalde richting. In en door deze systematisatie legt de rechtsgeleerde de toepasselijke normen vast, m.a.w. door te systematiseren kreeert hij recht.

Ookhier weer gaat de jurist niet enkel aangeven hoe nieuw recht en nieuwe problemen in het vigerende rechtssysteem optimaal ingepast kunnen worden, maar ook, en zelfs vooral, hoe ze in dit rechtsssysteem ingepast moeten worden.

Aldus kan men de rechtsleer of rechtsdogmatiek omschrijven als de tak van de rechtswetenschap die het vigerende positief recht in een bepaalde samenleving en oop een bepaald ogenblik beschrijften systematiseert vanuit een normatieve gezichtshoek. Deze normatieve gezichtshoek kan zowel intern-juridisch als extra juridisch zijn. Men kan een bepaald staandpunt verdedigen opbasis van technisch-juridisch argumenten. Zo kan men de stelling poneren dat een bepaald wetsartikel als stilzwijgend opgeheven moet woerden beschouwd omdat het in strijd is met bepalingen in een recentere wet, en dit op basis van het algemeen rechtsbeginsel dat nieuwe wetten steeds vorrang hebben op oudere (lex posterior derogat lege priori). Vaak echter zullen de verdedigde standpunten steunen op niet-juridisch waarden en normen. De konstruktie van het rechtsmisbruik bijvoorbeld steunt op de opvatting dat aan flagrant immorele daden die formeel wettelijk volledig in orde zijn geen rechtsgevolgen verbonden mogen worden of, wanneer deze daden aan derden schade berokkenen, dat deze immorele handelingen juridisch gesanktioneerd dienen te worden. Nu we de rechtsdogmatiek omschereven hebben kunnen we in een volgende paragraaf de verhouding onderzoeken tussen rechtsdogmatiek en rechtsteorie.

De verhouding rechtsdogmatiek – rechtsteorie

Met het oog op een omschrijving van het domein van de rechtsteorie moeten we thans pogen een scherpe lijn te trekken tussen rechtsdogmatiek en rechtsteorie. Anders uitgedrukt : wanneer we vaststellen dat zowel de rechtsdogmatiek als de rechtsteorie het rechtsfenomeen bestuderen zonder hierbij uitdrukkelijk uit te gaan van een welbepaalde niet-juridische discipline, dan moeten we ons afragen in welk opzicht de rechtsteorie de rechtsverschijnselen anders berstudeert dan de rechtsdogmatiek dit doet.

Algemeen genomen kan men de rechtsteorie, in haar verhouding tot de rechtsdogmatiek, beschouwen als een meta-teori van de rechsdogmatiek.

Een meta-teorie is een discipline die een andere wetenschap als studieobjekt heeft. Waar de rechtsdogmatiek de rechtsregelen zelf, vanuit een technische (zij het niet a-normatieve) invalshoek bestudeert, is de rechtsteorie in de eerste plaats een reflektie op deze rechtstechniek. De rechtsdogmatiek spreekt over het recht, de rechtsteorie spreekt over de wijze waarop de rechtsgeleerde over het recht spreekt. Dit is wat men noemt het onderscheid tussen objekt-taal en meta-taal. De rechtsgeleerde spreekt over het recht aan de hand van het recht, de rechtsteorie spreekt over het recht vanuit een niet (technisch) juridisch perspektief in een niet (technisch) juridische taal.

Waar de rechtsdogmatiek bijvoorbeeld poogt via bepaalde interpretatietechnieken een op het eerste gezicht niet toepasselijke wettekst op een konkrete probleemsituatie toe te passen, stelt de rechtsteorie zich vragen over de bruikbaarheid ven de interpretatieredenering, en dergelijke meer.

De rechtsgeleerde spreekt over een konkreet rechtsprobleem, de rechtsteoreticus spreekt over de redenering van de rechtsgeleerde. De rechtsgeleerde vraagt zich af welke technisch-juridisch oplossing binnen het gegeven rechtssysteem aan het probleem gegeven moet worden. Der rechtsteoreticus zal in het midden laten welke oplossing het meest wenselijk is, hij zal trouwens de vraag zelf naar deze oplossing als dusdanig volledig terzijde laten. Wat de rechtsteoreticus wel doet is de redenering van de rechtsbegrippen, interpretatietechnieken en kriteria voor de geldigheid van rechtsregels (hierarchie der rechtsbronnen) aan een kritische studie onderwerpen. Rechtsdogmatiek en rechtsteorie situeren zich dus duidelijk op een verschillend niveau.

Aldus kan men scherper een lijn trekken tussen rechtsdogmatiek en rechtsteorie dan bijvoorbeeld tussen rechtsteorie en rechtslogika.Dit houdt in dat rechtsdogmatiek en rechtsteorie elkaan niet overlappen maar een ten aanzien van elkander volledig zelfstanding domein hebben.

De rechtsdogmatiek beoogt een beschrijving en systematisering te geven van het geldend positief recht. De rechtsteorie beoogt een reflektie op deze beschrijving en systematisering te geven. De rechtsdogmatiek bouwt enerzijds een rechtstechnisch instrumentarium en een positiefrechtelijk systeem uit en zoekt anderzijds de in funktie hiervan meest adekwate oplossing voor konkrete juridische problemen. Het rechtstechnisch instrumentarium en het rechtssysteem worden uitgebouwd op basis van de problemen waarmee de rechtspraktijk gekonfronteerd wordt, terwijl deze problemen op hun beurt gesiteerd worden in de kontekst van het vigerend positief recht.

Aldus kan men spreken van een dialektiek tussen rechtssysteem en rechtsprobleem : het ene wordt ontwikkeld, respektievelijk opgelost, in funktie van het andere. Elke rechtsdogmatische aktiviteit beweegt zich dan ook tussen deze twee polen. De rechtsgeleerde vertrekt bijvoorbeeld van een bepaald bestaand technisch-juridisch begrip verwopen moet worden dan wel behouden kan blijven mits bepaalde aanspassingen en verfijningen ervan. Omgekeerd gaat de rechtsgeleerde konkrete rechtsproblemen toetsen aan het vigerend positief recht met als uiteindelijk doel het vinden van een technisch-juridisch korrekte oplossing voor dit probleem.

Met technisch-juridisch ‘korrekt’ wordt niet bedoeld dat er telkens slechts een mogelijke oplossing zou zijn, wel dat deze oplossing technisch-juridisch verdedigbaar moet zijn. De rechtsdogtmatiek beoogt dus ofwel een konkrete rechtstechnische oplossing te geven voor en probleem, ofwel een rechtstechnisch kader uit te bouwen waarbinnen en aan da hand waarvan een recks bestaande en toekomstige problemen een juridische oplossing kunnen krijgen.

In de rechtsdogmatiek staat m.a.w. centraal : het zoeken naar konkrete oplossingen voor juridische problemen. Wanneer de rechtsdogmatiek zich toespitst op het meer formele begrippenapparaat en op de struktuur van het rechtssysteem, ogenschijnlijk los van de bekommernis konkrete maatschappelijke problemen een juridische oplossing te geven, dan staan we voor een sekundaire aktiviteit die uitendelijk slechts beoefend wordt in het perspektief van deze regeling van konkrete rechtsproblemen.

Een rechtsteoretische activiteit van haar kant heeft nooit tot doel rechtstreeks of onrechtstreeks konkrete probleemgevallen een jurische oplossing te geven. Dit betekent natuurlijk niet dat de rechtsteorie irralevant zou zijn voor de rechtspraktijk. Dit betekent evenmin dat bepaalde resultaten van rechtsteoretisch onderzoek geen rechtstreekse invloed kunnen uitoefenen op het aanvaarden of werwerpen van bepaalde rechtsbegrippen, rechtsfiguren of juridische interpretaties. De rechtsteoreticus kan bijvoorbeeld wijzen op logische inkonsistenties of op de onverenigbaarheid van bepaalde teorieen met de resultaten van andere wetenschappen. De reschtsteoreticus kan ook een schijnbaar neutrale en objektieve juridische redenering ontmaskeren als een waardengeladen redenering die de impliciete aanvaarding van bepaalde ideologische uitgangsputen vooronderstelt. In al deze gevallen zal de konklusie van het rechtsteoretisch onderzoek kunnen leiden tot de verwerping van de betrokken juridische konstruktie. Deze invloed is evenwel aan twee beperkingen onderhevig: de rechtsteoretische kritick zal niet steeds noodzakelijk leiden tot de werwerping van de juridische konstruktie op het niveau van de rechtsdogmatiek en boevendien zal de invloed van het rechtsteoretisch onderzoek zich veeleer situeren op het niveau van de algemene beginselen dan op het niveau van de praktische uitwerking, die de taak blijft van de rechtsdogmatiek.

Het is bijvoorbeeld niet omdat een bapaalde redeneering niet dwingend blijkt te zijn omdat ze afhankelijk is van een of meer in de redenering impliciet vervatte waardeoordelen det ze daarom door de rechtsgeleerde verworpen zal worden. Het kan immers blijken dat de konkurrerende redeneringen ten aanzien van hetzelfde rechtsprobleem evenmin logisch dwingend zijn, terwijl de waardeoordelen waarvan deze laatste redeneringen uitgaan door de rechtsgeleerde als minder verdedigbaar worden beschouwd dan de vooronderstellingen waarop de eerste redenering steunt. Kritiek op een rechtstechnische konstruktie zal dul pas leiden tot een afwijzing van deze konstruktie wanneer de rechtsgeleerde er een andere konstruktie voor in de plaats kan stellen, die hem beter lijkt. Daarnaast is het ook duidelijk dat de rechtsteoreticus wel, negatief, kritiek zal uitoefenen die kan leiden tot de verwerping van een rechtstechnische konstruktie, maar niet, positief, rechtstechnische alternatieven zal ontwikkelen. De rechtsteorie zal geen keuze maken tussen rechtstechnische konstrukties : de eigenlijke technische uitwerking behoort tot het domein van de rechtsdogmatiek. De rechtsteoreticus zal bijvoorbeeld de onhoudbaarheid om teoretische redenen van een bepaalde wetsinterpretatie aantonen en eventueel zelfs een of meer alternatieve interpretaties aanhalen die rechtsteoretische op geen of althans op minder bezwaren stuiten. Hij zal het evenwel aan de rechtsgeleerde overlaten om, rekening houdend met eventuele rechtsteoretische bezwaren, uit te maken welke interpretatie binnen het gegeven rechtssysteem en voor de konkrete maatschappelijke problemen alse de meest aangewezen oplossing voorkomt.

De rechtsdogmatiek is uiteindelijk enkel bekommerd om de rechtstechnische oplossing van konkrete rechtsproblemen, waarbij deze problemen nu eens geisoleerd worden bekeken dan weer per kategorieen worden gegroepeerd, doch zonder dat de ambities van de rechtdogmatiek ooit verder reiken dan het valk van de rechtstechniek. De rechtsteorie van haar kant is uiteindelijk geenszins gericht op de oplossing zelf van konkrete rechtsproblemen of van kategorieen van rechtsproblemen doch enkel op de bestudering van de technieken en metodes die in de rechtsdogmatiek en de rechtspraktijk worden gehanteerd ter oplossing van die rechtsproblemen. De konkrete rechtsproblemen kunnen dus wel de rechtsteoretische vraagstellingen beinvloeden.

In deze zin is rechtsteorie een reflektie op het handelen van de jurist, ‘Reflexion auf das eigene Tun’. In de rechtsdogmatiek an de rechtspraktijk bastaat er een reele behoefte aan een dergelijke reflektie op de wijze waarop men als juist werkzaam is. Het is dan ook niet toevalling dat de rechtsteorie, of de vroegere ‘algemene rechtsleer’, voor een groot deel gelijkgesteld wordt met een metodologie van het recht. Deze metodologie van het recht vormt inderdaad een belangrijk deel van het domein van de rechtsteorie (zie hierover verder onder 4.12)

De huidige rechtsteorie beperkt zich evenwel niet tot de studie van de technicken en metodes die door de rechtsdogmatiek worden gehanteerd, ook andere aspekten van de rechtsdogmatiek worden onderworpen aan een kritisch onderzoek, zoal het wetenschapsmodel van de rechtsdogmatiek of het mens en maatschappijbeeld dat impliciet in bepaalde juridische konstrukties besloten ligt.

Het zou nu verkeerd zijn te menen dat de rechtsteorie enkel de rechtsdogmatiek an niet het recht zelf of de jurische werkelijkheid tot studieobjekt zou nemen. De rechtsteorie is inderdaad meer dan een zuivere meta-teorie van de rechtsdogmatiek. De rechtsteorie bestudeert onder meer ook een aantal fundamentele vraagstukken in verband met het positief recht zoalsbijvoorbeeld de aard van de rechtsnorm, de definitie van het recht, de verhouding tussen recht en moraal, en dergelijke meer. Meteen komen we echter in de sfeer van een aantal probleemgebieden die traditioneel tot de rechtsfilosofie gerekend weden. In de twee volgende paragrafen zal dan ook achtereenvolgens het domein van de rechtsfilosofie en de rechtsteorie geschetst worden.

Tot slot van denze paragraaf over de verhouding tussen de rechtsdogmatiek en de rechtsteorie dient evenwel nog een laatste opmerking te worden gemaakt. Vaak wordt als kenmerkend onderscheid tussen deze twee disciplines aangewezen het feit dat de rechtsdogmatiek het positief recht bestudeert zoals het op een bepaald ogenblik an op een bepaalde plaats van kracht is, terwijl de rechtsteorie, respektievelijk de ‘algemene rechtsleer’ het recht in zijn ‘algemeenheid’ zou bestuderen los van konkrete rechtsregeles en konkrete rechtssystemen.

Tegen een dergelijk kriterium om rechtsdogmatiek en rechtsteorie van elkaar te onderscheiden kunnen verschillende bezwaren worden ingebracht. Vooreerst geeft het zeker geen nauwkeurige en volledige omschrijving van de juiste verhouding tussen rechtsteorie en rechtsdogmatiek. Dit kriterium verwijst veeleer naar een wetenschappelijke en / of filosofische bezinning over de definitie ven het recht en over rechtsbegippen en rechtsfiguren in hun abstraktie genomen, dan naar een rechtsteorie als metondenleer an / of als ideologiekritiek van de rechtsdogmatiek.

Bovendien wordt door een dergelijk onderscheidingskriterium de indruk gewekt dat men teruggrijpt naar de negentiende-eeuwse visie op de algemene rechtsleer, waarbij men zoekt naar het ‘wezen’ van het recht door de elementen op te sporen die gemeenschappelijk zinj aan de rechtsbegrippen, de rechtsinstellingen en de rechtssystemen in alle minstens in een belangrijk deel van de vigerende positieve rechtsstelsels. Hierbij verliest men uit het oog dat het positief recht een techniek is waarmee het menselijk handelen in de samenleving geordend wordt. Het is dan ook zinloos vragen te stellen naar de ‘essentie’ van een rechtsfiguur zoal huwelijk, overeenkomst, erfpacht, faillissement, los van een konkrete menselijke samenleving. Precies omdat men dit in de loop der jaren is gaan beseffen heeft zich binnen de rechtsteorie de tendens ontwikkeld om het recht juist uitdrukkelijk te gaan situeren in zjin historische, sociale, politieke, ekonomische, psychologische kontekst. Het feit dat diverse niet-juridische disciplines het recht vanuit hun invalshoek wetenschappelijk gingen onderzoeken heeft de rechtsteorie via een interdisciplinaire aanpak kunnen brengen op het niveau van een discipline met een volwaardig wetenschappelijke benadering.

Op het vlak van het wetenschapskarakter ligt indeedaad noh een kenmerkend verschil tussen rechtsteorie en rechtsdogmatiek. Hoger werd reeds gesteld dat de rechtsdogmatiek zich beperkt tot een beschrijving en een systematisering van het geldend positief recht, met dien verstande dat deze aktiviteiten niet als neutraal an objektief kunnen worden beschouwd maar gebeuren vanuit een subjektieve of intersubjektieve normatieve invalshoek. In tegenstelling tot de klassieke wetenschapstypes zoals bijvoorbeeld natuurkunde of geschiedenis, beoogt de rechtsdogmatiek geen verklaring ten gronde of een voorspelling van rechtsverschijnselen.

De rechtsteorie daarentegen beperkt zich juist niet tot een beschrijving en systematisering maar beoogt in wezen een verklarende en verhelderende rol to spelen. In sinds enige tijd poogt men met behulp van de informatika tevens tot voorspellingen te komen, in het bijzonder met betrekking tot rechterlijk beslissingen. Gezien de beperkte resultaten die tot op heden op dit gebied geboekt werden kan het maken van voorspellingen m.b.t juridische gegevens voorlasnog niet beschouwd worden als een essentiele taak van de rechtsteorie, ook al moeten we dit voor de toekomst niet a priori uitsluiten. Dat de rechtsteorie omschreven moet worden als een verklarende wetenschap staat evenwel buiten kijf. Zo zal bijvoorbeeld via rechtsteoretisch onderzoek kunnen worden aangetoond door welke strukturele basiskomponenten de regels van het burgerlijk wetboek beheerst worden (b.v de vaststelling dat de regels van de bekwaamheid, van het erfrecht, van het huwelijksvermogensrecht, e.d gericht waren op de instandhouding ven het familiepatrimonium van de gegoede negentiende – eeuwse adel en burgerij) ; er zal worden nagegaan welke rol een begrip zoals ‘subjektief recht’ in ons rechtssysteem speelt en / of kan spelen ; men zal onderzoeken in welke mate de rechterlijke beslissing het resultaat is van een rationale denkaktiviteit. Een doelstelling die al deze rechtsteoretische onderzoekingen gemeen hebben is het bereiken van een beter inzicht in bepaalde rechtsverschjnselen. Men poogt, net zoals in andere menswetenschappen zoals de sociologie, de geschiedenis of de psychologie, tot bepaalde teoretische modellen te komen van waaruit deze (rechts) verschijnselen beter kunnen worden verklaard. Elk rechtsteoretisch onderzoek heeft met andere woorden tot doel door een toetsing van bepaalde uitgangshypotesen te komen tot teorievorming. Hierover en over de metodologische regels die daarbij gevolgd worden zal in het volgende hoofdstuk uitvoeriger worden uitgeweid (zie 4.3). thans kan het volstaan te wijzen op het bestaan van deze teorievorming die gebeurt met het oog op de verklaring van rechtsverschijnselen, om aan te tonen hoe de rechtsteorie zich als wetenschappenlijke discipline onderscheidt van de rechtsdogmatiek.

In de volgende paragraaf zal een overzicht gegeven worden van het domein en de werkwijze van de rechtsfilosofie om nadien de rechtsfilosofie op haar beurt af te bakenen ten aanzien van de rechtsteorie.

De rechtsfilosofie

Rechtsfilosofie is algemene filosofie toegepast op het recht of op rechtsverschijnselen. In de filosofie worden de diepste vragen aangesneden in verband met zin, grondslag, struktuur, e,d. van de werkelijkheid. In de rechtsfilosofie worden deze vragen toegespitst op juridische gegevens. Rechtsfilosofie wordt in de literatuur omschreven :

  • als een ‘spekulatieve discipline’ waarvan de redenering niet steeds rationeel getoetst kunnen worden, en die zicht bezighoudt met de achtergronden van het denken;
  • als discipline die zoekt naar de kennis van het ‘juiste’, het rechtvaardige recht;
  • als aan reflektie op de grondslagen van de (juridische) werkelijkheid, een vorm van systematisch denken die alleen genoegen neemt met de resultaten welke uit dit denken zelf voortvloeien en die zoekt naar een gereflekteerd teoretisch verband, waarbinnen de (rechts)verschijnselen kunnen worden begrepen op gedacht;
  • als de discipline die zoekt naar kennis over de natuur van de rechtsvaardigheid, kennis over de transeendente en immanente zijnsvorm van het recht, kennis over de waarden die in het recht aan bod komen en over de verhouding tussen recht en rechtvaardigheid, kennis over de struktuur van het moreel weten en van de rechtswetenschap en kennis over de verhoudingen tussen recht en moraal.

Deze definities zijn vrij heterogeen maar algemeen genomen kan men toch stellen dat de rechtsfilosofie de diepere vragen stelt en poogt te beantwoorden in verband met het recht en de rechtsverschijnselen. Een dergelijk omschrijving van het voorwerp van de rechtsfilosofie is echter te vaag en te ruim. Te vaag, omdat hiermee nog helemaal niet duidelijk is wat onder deze ‘diepere vragen’ moet worden begrepen. Te ruim, omdat ook de rechtsteorie, die trouwens uit de rechtsfilosofie gegroeid is, deze meer algemene vragen over juridische gegevens tot voorwerp heeft. Om rechtsteorie an rechtsfilosofie tegenover elkaar te kunnen afbakenen is het dan ook noodzakelijk vooraf een nauwkeuriger overzicht te geven van het domein van de rechtsfilosofie.

Het gebied van de rechtsfilosofie kan men onderverdelen in een aantal deelgebieden :

  1. De rechtsontologie (zijnsleer) : het onderzoek naar het ‘wezen’ van het recht, naar het ‘wezen’ van bijvoorbeeld de demokratie, naar de verhouding tussen recht an moraal.
  2. De rechtsaxiologie (waardenleer) : inhoudsbepaling van waarden zoals billijkheid, gelijkheid, rechtsvaardigheid, vrijheid, waarheid, rechtsmisbruik.
  3. De rechtsideologie (letterlijk ; ideenleer) : het uitwerken van totaalvisies op mens en maatschappij die als grondslag en / of als legitimatie kunnen dienen voor bestaande of toekomstige rechtsinstellingen, volledige rechtssystemen of delen ervan (b.v : de natuurrechtstelsels, de marxistische rechtsfilosofie.
  4. De rechtsepistemologie (kennisleer) : het onderzoek van de vraag in hoeverre kennis omtrent het ‘wezen’ van het recht of andere fundamentele rechtsfilosofische problemen uberhaupt mogelijk is. Dit is dus een vorm van meta-filosofie.
  5. De rechtsteleologie (finaliteitsleer) : het bapalen van zin en doel van het recht.
  6. De wetenschapsleer van het recht : dit is de meta-teorie van de rechtswetenschap, waarin vregen gesteld en beantwoord worden onder meer in verband met de kriteria voor wetenschappelijkheid (in hoeverre is wetenschappelijke kennis omtrent het recht mogelijk?) en in verband met de indeling van de rechtswetenschap (niet de indeling van het recht zelf). Ook de metodologie van de rechtsfilosofie zelf (met uitsluiting van de metodologie van andere takken van de rechtswetenschap) kan hieronder gerangschikt.
  7. De rechtslogika : het onderzoek naar de wetten van het rechtsdenken en van de juridische argumentatie en naar de logische opbouw en de stuktuur van rechtssystemen. De rechtslogika heeft zich ontwikkeld tot een zelfstandige tak van de rechtsfilosofie en zelfs tot een aparte discipline binnen de rechtswetenschap, waarin zij haar eigen plaats inncemt naast de rechtsfilosofie. De juridische logika komt dan ook verder afzonderlijk ter sprake en blijft hier voor het overige buiten beschouwing.

Kenmerkend voor de rechtsfilosofie is dat de resultaten van haar redeneringen empirisch in het geheel niet, en rationeel slechts te dele getoetst kunnen worden. De filosofische redeneringen zelf dienen even wel steeds te voldoen aan bepaalde minimumeisen van rationaliteit, met name logisch korrekt zijn en vatbaar zijn voor en rationele diskussie.

De eerste eis, namelijk die met betrekking tot de logische geldigheid van de rechtsfilosofische redenering, vergt geen nadere kommentaar daar de regels van de logika gelden voor alle redeneringen en dus zeker voor redeneringen die aanspraak maken op wetenschappelijkheid, of die minstens als basis moeten dienen voor wetenschappelijke redenering. Zo de filosofie doorgaans niet als een ‘wetenschap’ gekwalificeerd wordt, maar cerder als een meta-discipline, die onder meer deze wetenschappen zelf als objekt neemt, dan wordt wel algemeen gesteld dat de filosofie hierbij een wetenschappenlijke metode moet volgen. Er kunnen inderdaad een aantal minimumeisengesteld worden op het vlak van de argumentatie, met andere woorden, op het vlak van de logika. Kan in de filosofie nooit een konsensus op louter rationele basis gegarandeerd worden wat de uitkomsten van de redeneringen betreft, dan is een dergelijke rationele konsensus in principe wel mogelijk met betrekking tot de gebruikte metodes en argumenten.

De tweede eis, die het bestaan betreft van de mogelijkheid tot het voeren van een rationele diskussie met betrekking tot de rechtsfilosofische redenering, kan beschouwd worden als de tegenhanger van de eis van (empirische) toetbaarheid van de resultaten in de verklarende wetenschappen. De onmogelijkheid rechtsfilosofische stellingen en teorieen te verifieren of te falsifieren mag er niet to leiden dat deze stellingen en teorieen immuun blijven voor rationele kritiek. Niet zoals elke wetenschap zich ontwikkelt in een door een permanente diskussie tussen wetenschappers met betrekking tot de bestaande teorieen, is een vooruitgang van de rechtsfilosofie en een verruiming van de rechtsfilosofische inzichten slechts mogelijk indien de bestaande rechtsfilosofische teorieen ruimte laten voor een rationele diskussie over de uitgangspunten, de inhoud, de uitweerkingvan deze teorieen, op basis waarvan dan weer nieuwe rechtsfilosofische ideeen ontwikkeld kunnen worden. Een dergelijke open en rationele diskussie is de noodzakelijke voorwaarde om tot een intersubjektieve konsensus te komen. Vanuit demokratisch oogpunt is het ontwikkelen van een dergelijke intersubjektieve konsensus het noodzakelijke alternatief voor een wetenschappelijke toetsing, in die gevallen waarin een dergelijke toetsing uitgesloten is. Dit is bij uitstek het geval waar het gaat om het poneren van waarden, normen en ideologieen.

Om een rationele diskussie over rechtsfilosofische teorieen mogelijk te maken is het tevens noodzakelijk dat deze teorieen (bijvoorbeeld met betrekking tot het ‘wezen’ van het recht) in overeenstemming zijn met de vaststaande wetenschappelijke kennis van het ogenblijk. Is dit niet het geval dan wordt een rationele diskussie inderdaad vrijwel onmogelijk.

Buiten deze twee eisen van rationaliteit zijn rechtsfilosofische teorieen niet vatbaar voor kontrole. Dit ligt min of meer voor de hand wat betreft de rechtsaxiologie, de rechtsideologie  en de rechtsteleologie. In deze deelgebieden van de rechtsfilosofie worden immers geen uitspraken gedaan over de werkelijkheid, maar worden er bepaalde waarden en / of normen uitgewerkt, die als basis worden vooropgesteld voor positieve rechtsregels en rechtssystemen. Het is duidelijk dat waarden en normen op zichzelf niet vatbaar zijn voor een empirische en rationele toetsing. Enkel de rationaliteit, dit is de interne konsistentie, van een ideologie of de koherentie tussen verschillende waarden en normen die samen als geldend worden gepoonerd kan aan de hand van objektieve kriteria worden bekritiseerd. In dezelfde optiek kan men tevens de rationaliteit toetsen van waarden en normen op het vlak van de ‘middel-doel-relatie’ : waarden en normen zijn steeds gerelateerd aan doelstellingen (men stelt bijvoorbeeld een maximale gelijkheid tussen de mensen, onder meer op het vlak van het inkomen, als waarde en / of als norm voorop omdat men meent dat het leven van de doorsnee-mens hierdoor aangenamer en gelukkiger zal worden) ; zo de waarden en normen als dusdanig niet ‘getoetst’ kunnen worden, kan men wel nagaan in welke mate deze waarden en normen relevant, bruikbaar, nuttig of noodzakelijk zijn om de vooropgestelde doelstellingen te bereiken. Onder meer omwille van deze relatie van waarden en normen met bepaalde, vaak algemeen aanvaarde doelstellingen (bijvoorbeld het menselijk geluk), kan de keuze van bepaalde waarden en normen of van een bepaalde ideologie voor een deel rationeel geargumenteerd worden. Deze rationele argumentatie zal evenwel reeds geheel of gedeeltelijk is dat alle mensen zoveel mogelijk gelijk zijn, terwijl men tevens, vooral in een marxistische optiek, vertrek van het geloof dat er een positieve ontwikkeling is in de geschiedenis naar een dergelijke samenleving toe.

Dit grotendeels spekulatief, bespiegelend, karakter van de rechtsfilosofie is evenwel minder evident op het gebied van de rechtsontologie, en op het gebied van de kennisleer en van de wetenschapsleer van het recht. Op elk van seze deelaspekten van de rechtsfilosofie zal dan ook even kort worden ingegaan.

De zijnsleer of ontologie van het recht stelt vragen naar het ‘wezen’ van het recht, naar de basisinhoud van het rechtsbegrip, van de ‘rechtsidee’. Deze basisinhoud wordt bijvoorbeeld gezocht in fundamentele waarden zoals vrijheid, rechtvaardigheid en rechtszekerheid. Het gaat hier dus niet zozeer om een zoeken naar kennis omtrent het recht, dan wel om het vastleggen van een basiswaarde of een basisnorm, die dan als vertrekpunt fungeert voor het bepalde van andere waarden en normen en voor het uitbouwen van een ideologie, die op haar beurt de onderbouw vormt voor de legilimatie van bestaande of gepropageerde rechtsregels, rechtsfiguren en rechtssystemen. Waar men in schijn zoekt naar wat de kern van het juridische is, poneert men in werkelijkheidheid wat als meest essentiele waarde van het recht behoort teworden beschouwd. Men beweert aan een louter bespiegelende reflektie te doen, over het wezen van het recht, maar in feite poneert men hierbij vermomde normatieve uitspraken. Men zegt : ‘het recht beoogt rechtvaardigheid’ terwijl men eigenlijk poneert : ‘het recht moet rechtvaardigheid nastreven’. Aldus vertoont de rechtsontologie dezelfde kenmerken als de axiologie, de ideologie en de finaliteitsleer van het recht, zodat een objektieve toetsing van haar resultaten uitgesloten is en er hoogstens gepoogd kan worden een intersubjektieve konsensus na te streven.

In de rechtsepistemologie of kennisler van het recht wordt onderzocht in hoeverre kennis mogelijk is omtrent het ‘wezen’ van het recht of omtrent andere rechtsfilosofische problemen. We staan hier dus voor een meta-filosofie van de rechtsfilosofie. Waar bijvoorbeld de rechtsontologie vragen stelt naar het ‘wezen’ van het recht onderzoekt de rechtsepistemologie de mogelijkheden om een dergelijke vraag te beantwoorden. Hier gaat het dus duidelijk niet om het poneren van bepaalde waarden of normen maar om het zoeken naar de grenzen van de (mogelijke) kennis van de (juridische) werkelijkheid. Op het eerste gezicht zou een empirisch toetsing hier dus mogelijk moeten zijn. Dit is ten dele ook juist: wanneer iemand stelt dat het verwerven van kennis omtrent het ‘wezen’ van het recht volstrekt uitgesloten is, dan is dit een stelling die principieel voor falsifikatie vatbaar is. In werkelijkheid zal dit evenwel niet mogelijk zijn, vermits het kennisstatuut van elke vooropgestelde ‘kennis’ omtrent het ‘wezen’ van het recht steeds in twijfel getrokken zal kunnen worden. Neemt men immers aan dat, zoals hoger werd opgemerkt, de rechtsontologie geen kennisverwerving beoogt maar een keuze van fundamentele juridische waarden en/of normen nastreeft, dan zal steeds geloochend kunnen worden dat onderzoeksresultaten van de rechtsontologie betrekking hebben op kennis omtrent het recht. Bijgevolg zal ook het antwoord op de vraag naar de grenzen van onze (mogelijke) kennis omtrent de (juridische) werkelijkheid steeds een essentieel spekulatief karakter dragen.

Als laatste deelgebied van de rechtsfilosofie dient thans nog dewetenschapsleer besproken te worden. Wanneer hoger bij de opsomming van de deelgebieden van de rechtsfilosofie als zesde gebied ‘wetenschapsleer van het recht’ werd vermeld, dan dient toch te worden aangestipt dat deze omschrijving enigszins misleidend kan zij. Historisch gezien ishet inderdaad wel zo dat de wetenschapsleer van het recht integraal beschouwd werd als een typisch studieobjekt van de rechtsfilosofie. Thans echter kan deze wetenschapsleer voor een deel gerekend worden tot het domein van de laatste twee eeuwen steeds weer ter diskussie is gebracht, naar het wetenschapskarakter van de rechtsdogmatiek, wordt thans vrij algemeen beschouwd als een onderzoekstema van de rechtsteorie en niet (meer) van de rechtsfilosofie. De rechtsteorie is immers de meta-teorie ten aanzien van de rechtsdogmatiek.

Tot het domein van de rechtsfilosofie behoort bijgevolg niet de wetenschapsleer van het recht, in ruime zin genomen, doch enkel de wetenschapsleer van de rechtsteorie. Vermits de rechtsfilosofie zelf geen metadiscipline boven haar heeft, dient zij evenwel tevens zelf de problemen te onderzoeken in verband met wetenschapskarakter en metodologie van de rechtsfilosofie. De rechtsfilosofie dient hier dus aan een zelfreflektie te doen. Op dit terrein van de rechtsfilosofie kan het spekulatief denken niet beschouwd worder als het hoofdkenmerk van de benadering van de rechtsfilosofie. Het denken over wetenschappelijkheid en over metodologie kan bezwaarlijk zuiver spekulatief zijn. Toch zal het spekulatief element ook hier een belangrijke rol spelen, in het bijzonder omdat de vragen waarop door de wetenschap zelf a priori geen antwoord gegeven kan worden, naar de rechtsfilosofie worden toegeschoven. Een kernprobleem in de wetenschapsleer is bijvoorbeeld de vraag in hoeverre de diverse wetenschappen waardenvrij kunnen zijn, respektievelijk waardenvrij moeten zijn. Dit heeft onder meer geleid tot de beruchte ‘metodenstrijd’ in de sociologie. Ook in de rechtsteorie begint zich een dergelijke metodenstrijd te ontwikkelen. Hierover zal in het volgende hoofdstuk gehandeld worden, waar o.m. de tegenstelling ter sprake zal komen tussen de zogenaamde ‘empirische’ rechtsteorie en de ‘normatieve’ rechtsteorie. De keuze ten aanzien van dit probleem die door elke wetenschapper onvermijdelijk gemaakt moet worden, zal noodgedwongen gebeuren op basis van een keuze tussen waarden, normen, ideologieen en niet bewezen (en voorlopig ook niet beqwijsbare) oordelen over de werkelijkheid. Aldus zal ook op het vlak van de wetenschapsleer het spekulatief denken in de rechtsfilosofie opnieuween belangrijke rol spelen.

Tot besluit van deze paragraaf waarin een overzicht gegeven werd van het domein van de rechtsfilosofie, kan gesteld worden dat de rechtsfilosofie zich in wezen kenmerk door het spekulatief karakter van het rechtsfilosofisch denken, en dit op alle deelgebieden van de rechtsfilosofie. In de volgende paragraaf zal de rechtsfilosofie worden afgebakend ten aanzien van de rechtsteorie.

De verhouding rechtsfilosofie – rechtsteorie

Zoals in de schets van de ontstaansgeschiedenis van de rechtsteorie in het tweede hoofdstuk werd uiteengezet is de rechtsteorie een wetenschap die gegroeid is uit de rechtsfilosofie en die zich geleidelijk is gaan ontwikkelen tot een zelfstandige discipline tussen de rechtsdogmatiek en de rechtsfilosofie. Waar de rechtsteorie een meta-teorie vormt ten aanzien van de rechtsdogmatiek vervult de rechtsfilosofie de funktie van een meta-discipline ten aanzien van de rechtsteorie. Struktureel gezien verhoudt de rechtsteorie zich dus ten aanzien van de rechtsfilosofie op dezelfde wijze als de rechtsdogmatiek ten aanzien van de rechtsteorie. Dit wil geenszins zeggen dat er geen rechtstreekse banden zouden bestaan tussen rechtsfilosofie en rechtsdogmatiek. Deze verhouding blijft hier evenwel buiten beschouwing vermits het er hier enkel om gaat de rechtsteorie te situeren in het geheel van de wetenschappen die het recht als onderzoeks-objekt nemen.

Rechtsfilosofie is een meta-discipline ten aanzien van de rechtsteorie en dit op meerdere punten, die samenhangen met de verschillende, hoger geschetste, deelgebieden van de rechtsfilosofie. Mits een schematische vareenvoudiging kan men deze verschillende facetten van de rechtsfilosofie evenwel herleiden tot twee : rechtsfilosofie als waardenleer van de rechtsteorie en rechtsfilosofie als wetenschapsleer van de rechtsteorie. In deze schematistische vereenvoudiging wordt onder ‘waardenleer’ begrepen : de rechtsontologie, de rechtsaxiologie, de rechtsideologie en de rechtsteleologie. Met ‘wetenschapsleer’ wordt hier zowel de kennisleer als de eigenlijke wetenschapsleer aangeduid.

De funkie van de rechtsfilosofie als waardenleer van de rechtsteorie moet gezien worden in verband met een essentiel onderscheidingskriterium tussen rechtsfilosofie en rechtsteorie. In het tweede hoofdstuk is gebleken dat het onstaan van de rechtsteorie een van haar belangrijkste oorzaken vindt in een streven om algemene vraagstukken in verband met het recht en met rechtsverschijnselen te benaderen via een positief-wetenschappelijke aanpak met het doel tot stevigere resultaten te komen dan diegene die het spekulatieve rechtsfilosofische denken kunnen bieden. Dergelijke onderzoekingen, die zich kenmerken door een positiefwetenschappelijke aanpak, zijn in de loop der jaren onder de benaming ‘rechtsteorie’ tot een apart wetenschapsgebied uitgeroid. Deze historische onstaansfaktor van de rechtsteorie als dochterdiscipline van de rechtsfilosofie biedt ons meteen het meest essentiele onderscheidingskriterium om de grens tussen beide disciplines te trekken. De (rechts)filosofie heeft als objekt enezijds de keuze tussen, en de uitbouw van, waarden, normen, ideologieen en anderzijds he onderzoek van de meest fundamentele vraagstukken van het weten. Deze onderzoeksobjekten zijn, ofwel naar hun aard, ofwel naaar de stand van de wetenschap en de technick op een bepaald ogenblik in de geschiedenis, niet vatbaar voor een positief-wetenschappelijke benareding maar zijn enkel te benaderen via een spekulatief denken. De rechtsteorie daarentegen vereist juist wel een positief-wetenschappelijke, dit is grotendeels een empirische benadering. Men kan het onderscheid ook nog zo uitdrukken dat het spekulatief denken van de rechtsfilosofie niet gekoppeld is aan bestaande konkrete rechtsystemen, terwijl de positief-wetenschappelijke, empirisch benadering van de rechtsteorie onvermijdelijk steeds verband houdt met het recht in een of meer konkrete samenlevingen.

Dit onderscheid moet men evenwel eerder zien als een verschil in hoofdaksent dan als een zuivere scheiding, waarbij op het rechtsfilosofisch domein elk positief-wetenschappelijk element a priori uitgesloten zou zijn, terwijl de rechtsteorie volledig vrij zou zijn van elk spekulatief denken. Dit laatste zou immers veronderstellen dat de rechtsteorie als wetenschap volledig waardenvrij zou zijn. Deze volledige waardenvrijheid is echter voor elke wetenschap, en dus ook voor de rechtsteorie, een bereikbaar ideaal. Ons onderscheidingskriterium tussen rechtsfilosofie en rechtsteorie brengt met zich mee dat de grens tussen beide disciplines vloeiend is. Wat vandaag slechts in aanmerking komt voor een spekulatief denken zal morgen wellicht geheel of gedeektelijk positief-wetenschappelijk getoetst kunnen worden. Omgekeerd zal de rechtsteorie elke keuze tussen waarden, normen of ideologieen niet zelf pogen te maken maar doorvewijzen naar de rechtsfilosofie. Het is in deze zin dat de rechtsfilosofie, als waardenleer, gezien moet worden als meta-discipline van de rechtsteorie.

Dat de rechtsfilosofie als wetenschapsleer van de rechtsteorie en als kennisleer een meta-discipline vormt ten aanzien van de rechtsteorie behoef geen nadere toelichting, daar de rechtsfilosofie hier de aktiviteiten van de rechtsteorie zelf deels als studieobjekt neemt.

Konkluderend kan de verhouding van de rechtsteorie tot de rechtsfilosofie samengevat worden als een verhouding van meta-discipline (rechtsfilosofie) tot objekt-discipline (rechtsteorie), waarbij de rechtsfilosofie essentieel een spekulatief denken beoogt terwijl de rechtsteorie streeft naar een positief-wetenschappelijke benareding van het rechtsverschijnsel. Met dit spekulatief denken kan de rechtsfilosofie enkel rationeel zijn op basis van haar eigen kriteria, die evenwel zelf ter diskussie staan of kunnen staan. Rechtsteorie daarentegen is rationeel (of moet althans er over waken het te zijn) op basis van algemene kriteria, die door eenieder aanvaard worden.

Categories: Bahasa Belanda, Teori Hukum | Tinggalkan komentar

Navigasi pos

Tinggalkan Balasan

Isikan data di bawah atau klik salah satu ikon untuk log in:

Logo WordPress.com

You are commenting using your WordPress.com account. Logout / Ubah )

Gambar Twitter

You are commenting using your Twitter account. Logout / Ubah )

Foto Facebook

You are commenting using your Facebook account. Logout / Ubah )

Foto Google+

You are commenting using your Google+ account. Logout / Ubah )

Connecting to %s

Blog di WordPress.com.

%d blogger menyukai ini: